Samenwerken met het Talibanregime in naam van het “administratieve”?
Samenwerken met het Talibanregime in naam van het “administratieve”?
Vrije tribune van Mehdi Kassou, algemeen directeur, en de Raad van Bestuur van BelRefugees, gepubliceerd in Le Soir.
Tot mijn grote verbazing las ik dit weekend in de pers dat België, via Freddy Roosemont, directeur van de Dienst Vreemdelingenzaken, namens een groep van een twintigtal EU-lidstaten had deelgenomen aan onderhandelingen die vorige week werden gevoerd met het Talibanregime. Officieel voorgesteld als een loutere “administratieve verkenningsmissie”, bestond dit initiatief er in werkelijkheid uit naar Kabul te reizen om rechtstreeks met de Taliban te onderhandelen over de mogelijkheid om Afghaanse onderdanen uit te wijzen, soms bestempeld als personen “met een strafblad”, soms als “mensen zonder papieren”.
België zou dus voortaan zonder schroom onderhandelen met de Taliban, en de bevoegde minister, Anneleen Vanbossuyt (N‑VA), zou volgens Het Laatste Nieuws zelfs aan de basis hebben gelegen van deze missie, georganiseerd onder auspiciën van de Europese Commissie. Men had kunnen verwachten dat dit nieuws een politieke schok zou veroorzaken, de nationale media zou domineren, massale verontwaardiging zou oproepen en parlementaire controle en/of oppositie zou mobiliseren. Op het moment van schrijven is daar echter niets van te merken.
Het nieuws gaat vrijwel geruisloos voorbij, verpakt in zorgvuldig gekozen woordgebruik dat bedoeld is om het publieke debat te neutraliseren en elke ethische, deontologische of politieke vraagstelling te ontmijnen. Voorgesteld als een eenvoudige “administratieve missie” zou het gaan om het heropstarten van een zogenaamd “technische” samenwerking met de Afghaanse autoriteiten inzake identificatie, met het oog op zogenaamd vrijwillige of gedwongen terugkeer. Achter deze vermeende techniciteit schuilt echter een politieke keuze met zware gevolgen : het aanvaarden, dragen en normaliseren van functionele en operationele samenwerking met een regime dat verantwoordelijk is voor massale, systematische en gedocumenteerde mensenrechtenschendingen.
Deze aanpak “administratief” noemen is een gevaarlijke fictie. Administratie is nooit neutraal wanneer het gaat om het identificeren van personen, hen te classificeren en beslissingen te nemen die hun toekomst, hun vrijheid en soms hun overleving bepalen. Deze identificatie, zelfs indirect, toevertrouwen aan de ministeries en inlichtingendiensten van een autoritair, theocratisch en niet-democratisch regime, komt neer op het toekennen van operationele legitimiteit en het toewijzen van een actieve rol in het beheer van mensenlevens — levens die juist voor dat regime waren gevlucht om te overleven.
Deze logica is overigens niet nieuw in België. Al in 2017 werd onder het gezag van Theo Francken een officiële Soedanese delegatie, waaronder leden van de inlichtingendiensten van een regime geleid door Omar al-Bashir — destijds het voorwerp van arrestatiebevelen van het Internationaal Strafhof wegens misdaden tegen de menselijkheid — uitgenodigd in Brussel om Soedanese onderdanen te identificeren met het oog op hun uitzetting.
Die samenwerking leidde tot terechte verontwaardiging, tot terugzendingen gevolgd door geloofwaardige beschuldigingen van mishandeling en tot een veroordeling van België door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wegens schending van het non-refoulementbeginsel. De Afghaanse aanpak vandaag voorstellen als een louter technische operatie betekent bewust voorbijgaan aan de lessen van een precedent met zware menselijke en juridische gevolgen.
Voorzorgsformules in het taalgebruik of verklaringen dat er geen “affiniteit” zou bestaan met de machthebbers in Kabul doen daar weinig aan af. Men werkt niet samen met een apartheidsregime, net zomin als men gisteren onschuldig samenwerkte met een regime dat werd beschuldigd van misdaden tegen de menselijkheid, aangezien zulke samenwerking een volledige politieke en morele verantwoordelijkheid met zich meebrengt.
Het argument dat vrouwen en minderjarigen niet met dwang zouden worden teruggestuurd, volstaat niet om de bezorgdheid weg te nemen. Het non-refoulementbeginsel beperkt zich niet tot de uiteindelijke verwijdering ; het omvat elke voorbereidende handeling die iemand kan blootstellen aan een reëel risico op vervolging, waaronder identificatie door de autoriteiten van het land van herkomst. De Soedanese zaak heeft dat op treffende wijze aangetoond : het gevaar begint lang vóór het instappen.
Ook de retoriek die wordt gebruikt om deze samenwerking te rechtvaardigen, is bijzonder verontrustend. De prioriteit die wordt gegeven aan dossiers van “illegale criminelen” voedt de verwarring tussen administratief statuut en strafbaar feit, verankert duurzame stigmatisering en bereidt de publieke opinie voor op het aanvaarden van uitzonderingsbeleid. Deze verschuiving is noch nieuw noch onschuldig ; zij maakt deel uit van een bredere dynamiek die vandaag openlijk wordt omarmd door de regering-Trump en door delen van het Europese extreemrechts, die migratie-hardheid normaliseren in naam van vermeend gezond verstand.
Wat hier op het spel staat, reikt veel verder dan het Afghaanse geval alleen. Het gaat om een nieuwe stap in een wereldwijde beweging van verstrenging en uitbesteding van migratiecontrole aan enkele van de meest repressieve regimes ter wereld. Het Afghanistan van de Taliban is niet veranderd. Wat wel is veranderd, is onze collectieve tolerantiedrempel en het gemak waarmee lijnen die ooit als onoverschrijdbaar golden, onderhandelbaar worden in naam van politiek realisme.
Want de manier waarop wij collectief aanvaarden om mensen te behandelen, en met wie wij dat aanvaarden te doen, zegt altijd iets fundamenteels over de werkelijke staat van onze democratie en de liberale waarden die zij nog zegt te belichamen, vooral wanneer die op de proef worden gesteld door angst, terugplooien op zichzelf en autoritaire verleiding.