Skip to main content

Woonstbetredingen : gisteren nee, vandaag nee, morgen ook nee !

Posted on

In 2018 heeft een brede, trans­ver­sale mobi­li­sa­tie van het mid­den­veld ervoor gezorgd dat een wet­sont­werp dat woonst­be­tre­din­gen moge­lijk maakte (een eufe­misme voor woonst­be­tre­din­gen waar­bij de woning van een per­soon zon­der ver­bli­jf­srecht of van diens opvang­ge­ver kan wor­den ges­chon­den) in het kader van het migra­tie­be­leid, werd teruggedrongen.

Vere­ni­gin­gen, vak­bon­den, aca­de­mi­ci, juris­ten, magis­tra­ten, beroep­sor­den, poli­ti­ci en ter­rein­wer­kers waar­schuw­den toen al voor wat deze maa­tre­gel wer­ke­lijk inhield : een erns­tige inbreuk op de meest bes­chermde pri­vés­feer, name­lijk de woning, en een gevaar­lijk pre­cedent voor de rechtss­taat. Gecon­fron­teerd met de juri­dische kri­tiek en de omvang van het pro­test heeft eerste minis­ter van de MR/N‑­VA-rege­ring, Charles Michel, het pro­ject toen in de koel­kast gestopt.

In 2020 (advies 68.144/4 van 16/11/2020) stelde de Raad van State al vast dat er sprake was van one­ven­re­dige aan­tas­tin­gen van de gron­drech­ten en van een gebrek aan vol­doende waar­bor­gen om een maa­tre­gel van der­ge­lijke ernst te omkaderen.

In 2025 (advies 78.049/2/V van 20/08/2025) herhaalt de ges­chie­de­nis zich, en dit­maal in een nog veron­trus­ten­der context : een verhar­ding van het vei­li­gheid­sdis­cours, een bana­li­se­ring van het ver­la­gen van de bes­cher­ming­sdrem­pels voor fun­da­men­tele rech­ten, de ver­lei­ding om waar­bor­gen te omzei­len in naam van de doel­tref­fend­heid en de bes­ten­di­ging van de cri­mi­na­li­se­ring van men­sen in migratie.

In dat advies is de Raad van State gla­shel­der : ondanks enkele tech­nische aan­pas­sin­gen bli­jft de kern van de rege­ling fun­da­men­teel ongewijzigd.

De kri­tiek die in 2020 werd gefor­mu­leerd, is niet weg­ge­werkt. Inte­gen­deel : ze wordt beves­tigd, gecon­so­li­deerd en vers­terkt door de evo­lu­tie van de consti­tu­tio­nele en Euro­pese rechts­praak sind­sdien. Er ont­bre­ken daad­wer­ke­lijke waar­bor­gen voor der­den die onder­dak bie­den of in de betrok­ken woning ver­bli­j­ven, kin­de­ren wor­den onvol­doende bes­chermd, een reële rech­ter­lijke controle ach­te­raf ont­breekt, en er dreigt een han­de­ling van een ernst die ver­ge­lijk­baar is met een stra­frech­te­lijke woonst­be­tre­din­gen , zon­der de bij­be­ho­rende waar­bor­gen te bie­den. Kor­tom : de tekst moet gron­dig wor­den herzien.

Voor de Raad van State gaat het daar­bij noch om een par­ti­j­po­li­tiek debat, noch om een ideo­lo­gisch mening­sver­schil. Het gaat om een dui­de­lijke, onder­bouwde en herhaalde juri­dische en consti­tu­tio­nele waar­schu­wing. Op deze weg door­gaan zou bete­ke­nen dat het advies van de Raad van State wordt behan­deld als een lou­tere for­ma­li­teit, ter­wi­jl het net een essen­tiële herin­ne­ring vormt aan de gren­zen die de rechtss­taat aan het ove­rheid­sop­tre­den oplegt.

Toen het kabi­net van minis­ter Van Bos­suyt werd bevraagd over de stand van zaken van het pro­ject sinds dat advies, liet het weten inmid­dels over “alle nodige advie­zen” te bes­chik­ken, ter­wi­jl het tege­lijk pre­ci­seerde dat “de essen­tie van de tekst onge­wi­j­zigd zal bli­j­ven”. Met andere woor­den : de waar­schu­wing is gekend, gedo­cu­men­teerd en bewust ont­van­gen … maar poli­tiek genegeerd !

De woning is noch­tans een hei­lig­dom, geen lou­ter mate­riële ruimte. Zij is een plaats van bes­cher­ming, inti­mi­teit en vei­li­gheid. De ged­won­gen bin­nen­tre­ding van de Staat in die ruimte toes­taan voor lou­ter admi­nis­tra­tieve doe­lein­den, zon­der waar­bor­gen die ver­ge­lijk­baar zijn met die van het stra­frecht, betekent een diep­gaande breuk in het even­wicht van de open­bare vrijheden.

Wat door de minis­ter wordt voor­ges­teld als een “gerichte” maa­tre­gel, creëert in wer­ke­lij­kheid een zwaar pre­cedent, name­lijk de gelei­de­lijke aan­vaar­ding van erns­tige en geweld­da­dige inbreu­ken in naam van een ver­meende pseu­do-admi­nis­tra­tieve doeltreffendheid.

Wij ver­wer­pen ook de ver­men­ging die in dit pro­ject bes­lo­ten ligt en het stig­ma­ti­se­rende dis­cours dat ermee gepaard gaat. Onre­gel­ma­tig ver­bli­jf valt onder het admi­nis­tra­tief recht en niet onder het stra­frecht. Het kan als dus­da­nig niet wor­den gelijk­ges­teld met cri­mi­neel gedrag, noch dienen als basis voor een ver­moe­den van gevaar­lij­kheid. Een admi­nis­tra­tief sta­tuut ver­war­ren met een bedrei­ging voor de samen­le­ving betekent een logi­ca van col­lec­tieve ver­dacht­ma­king ins­tal­le­ren, uit­zon­de­ring­smaa­tre­ge­len legi­ti­me­ren en de begin­se­len van gelij­kheid voor de wet en indi­vi­dua­li­se­ring van situa­ties ondergraven.

De men­se­lijke impact van een der­ge­lijke rege­ling wordt boven­dien sterk onder­schat door de minis­ter. Een inter­ven­tie in de woning treft nooit slechts één per­soon. Ze raakt gezin­nen, samen­wo­nen­den, naas­ten en kin­de­ren. Ze kan plaats­vin­den bij het och­tend­glo­ren, in een context van extreme stress, met bli­j­vende gevol­gen voor de men­tale gezond­heid, het ver­trou­wen en het vei­li­gheid­sge­voel. Ze dreigt niet-opname van rech­ten in de hand te wer­ken, het ver­trou­wen in de ove­rheid te onder­mi­j­nen, sociale en medische bege­lei­ding te onder­bre­ken, en een dif­fuse ang­st te vers­prei­den die al snel veel ver­der zal rei­ken dan enkel de rechts­treeks gevi­seerde groep. Wan­neer de woning als hei­lig­dom een ruimte wordt waar de Staat voor admi­nis­tra­tieve doe­lein­den moge­lijk kan bin­nen­drin­gen, verhardt niet alleen het terug­keer­be­leid : ook de rela­tie tus­sen ins­tel­lin­gen en bevol­king dreigt gevaar­lijk te verslechteren.

Het is ook een kwes­tie van demo­cra­tische methode. De Raad van State wijst immers op het gebrek aan waar­bor­gen en aan effec­tieve controle. Hoe ingri­j­pen­der een rege­ling is, hoe strik­ter zij moet wor­den omka­derd, gecon­tro­leerd en verantwoord.

De rechtss­taat is geen tech­nisch obs­ta­kel : hij is een bes­cher­ming­sar­chi­tec­tuur, pre­cies opge­bouwd om te ver­mi­j­den dat de ove­rheid one­ven­re­dige mid­de­len inzet tegen per­so­nen die door hun sta­tuut kwets­baar wor­den gemaakt.

De rol van de rech­ter mag niet wor­den her­leid tot een auto­ma­tisch mecha­nisme ten dienste van de uit­voe­rende macht. Der­den mogen niet de col­la­te­rale slach­tof­fers wor­den van een pro­ce­dure waar­van zij niet het voor­werp zijn. En het hoger belang van het kind mag geen lou­tere sti­jl­for­mule blijven.

De inter­na­tio­nale erva­ring, zoals wat van­daag in de Vere­nigde Sta­ten gebeurt met ICE, toont ten slotte waar de bana­li­se­ring van wonin­gin­breu­ken en van veral­ge­meende controle toe leidt : zij vers­ter­ken noch de vei­li­gheid, noch de sociale cohe­sie. Ze voe­den wan­trou­wen, frag­men­ta­tie, iso­le­ment, ang­st en de ero­sie van de demo­cra­tische band. Een demo­cra­tie die aan­vaardt om als bij een inbraak en zon­der daad­wer­ke­lijke waar­bor­gen wonin­gen bin­nen te tre­den, houdt gelei­de­lijk op zich­zelf te bes­chou­wen als een ruimte van rech­ten en wordt steeds meer een appa­raat van dwang.

Dit debat overs­ti­jgt dan ook het lou­tere migra­tie­be­leid. De recente ges­chie­de­nis leert ons dat wat van­daag wordt aan­vaard voor bepaalde cate­go­rieën van per­so­nen, uitein­de­lijk alti­jd de waar­bor­gen van iede­reen verzwakt.

De rechtss­taat laat zich niet opde­len : hij houdt stand of hij brok­kelt af. Daa­rom herha­len wij met klem : woonst­be­tre­din­gen waren nee in 2018, zijn nee van­daag en zul­len mor­gen ook nee zijn.

Wij roe­pen de rege­ring op om defi­ni­tief af te zien van dit pro­ject. Zo niet, dan her­be­ves­ti­gen wij onze vast­be­ra­den­heid om ons col­lec­tief en duur­zaam te mobi­li­se­ren, zo lang als nodig, om de onschend­baa­rheid van de woning, de bes­cher­ming van kin­de­ren, de rol van de rech­ters en de fun­da­men­tele begin­se­len die aan de basis lig­gen van een demo­cra­tie die die naam waar­dig is, te verdedigen.